Natuurlijke oppervlaktedelfstoffen

Natuurlijke herkomst van oppervlaktedelfstoffen

Normalerwijze dienen ontginners van oppervlaktedelfstoffen (zand, leem, klei, krijt, ...) vandaag vóór ontginning te beschikken over een certificaat van herkomst. Zonder dit certificaat is ontginning en verhandeling van de delfstoffen niet meer mogelijk. Om dit certificaat aan te vragen zijn droge boringen nodig, staalnames en analyses, …, onderzoek dat moet gebeuren onder leiding van een erkend bodemsaneringsdeskundige of MER-deskundige geologie/hydrogeologie.

Waarom hebben natuurlijke delfstoffen een certificaat nodig?

Natuurlijke oppervlaktedelfstoffen (vb. grind, zand, leem, klei,… , losse gesteenten < 4 mm ) vallen juridisch niet onder het Vlarebo of onder Vlarea (beheer van afvalstoffen).

Voor de inwerking treding van het Vlareop (oppervlakte delfstoffen besluit, 2006) was het voor een ontginner daardoor moeilijk om aan te tonen dat zijn product conform de milieuwetgeving is. Bovendien was het niet uitgesloten dat uitgegraven bodem (grondverzet) terechtkwam in het circuit van primaire delfstoffen.

Een certificaat van natuurlijke herkomst komt tegemoet aan deze leemte, beschermt de ontginner en garandeert de afnemer van oppervlaktedelfstoffen de primaire herkomst en natuurlijke samenstelling.

Belang voor het duurzaam voorraadbeheer

De geologische lagen die als delfstof ontgonnen worden of de gronden die als uitgegraven bodem vrijkomen, zijn in wezen identiek. Geologische structuren of lagen stoppen immers niet waar een ontginningsgebied eindigt.

Het nieuwe toetsingskader kan daarom ook toegepast worden op uitgegraven bodem, zodat milieuhygiënisch geschikte partijen ook kunnen gebruikt worden als (secundaire) delfstof. Hierdoor is het mogelijk om alternatieven te bieden voor primaire delfstoffen. Dit betekent een belangrijke bijdrage tot duurzaam en zuinig gebruik van de Vlaamse ondergrond.

Aanvragen van een certificaat

Naast een aantal adminstratieve gegevens i.v.m. de aanvrager, het nodige kaartmateriaal om de ontginning te situeren (administratief, topografisch, geologisch) en informatie in verband met de lokale geologie, is de kern van het aanvraagdossier geochemisch van aard. Het certificaat zal immers moeten aantonen dat de ontgonnen delfstoffen volledig overeenkomen met de te verwachten natuurlijke samenstelling.

In functie daarvan zullen droge boringen moeten uitgevoerd worden, verspreid over de te ontginnen oppervlakte en over een diepte die overeenkomt met de voorziene diepte van ontginning (met een minimum van10 m). Het aantal boringen is afhankelijk van de betrokken oppervlakte, elke 2 m wordt bemonsterd en de fractie < 4 mm geanalyseerd op een vaste reeks van parameters door een daarvoor erkend labo.

Een oppervlaktedelfstof voldoet aan de natuurlijke samenstelling wanneer de gehalten van de zware metalen en metalloïden gelijk zijn aan of kleiner zijn dan de (per staal herrekende) achtergronddrempels of behoren tot een vastgestelde lokaal verhoogde achtergrond. De rest is administratie.