Oriënterend bodemonderzoek

Oriënterend bodemonderzoek

(op gronden met risicovolle inrichtingen)

Als particulier wordt je hier meestal mee geconfronteerd bij overdracht van gronden (vb. koop/verkoop). Indien er op deze grond 'risicovolle' inrichtingen aanwezig zijn of geweest zijn, is een door de OVAM conform verklaard oriënterend bodemonderzoek nodig om een bodemattest te verkrijgen en verkoop te laten doorgaan. Een dergelijke procedure betekent een betere bescherming van de koper.

Voor een bedrijf met een milieuvergunning en hinderlijke inrichtingen, is een OBO een regelmatig terugkerende controle van de grond en het grondwater. Ook deze procedure heeft al meermaals zijn nut bewezen, bijvoorbeeld bij sluipende lekken of minder zorgvuldig omspringen met producten.

Wanneer een oriënterend bodemonderzoek nodig is

Een oriënterend bodemonderzoek (OBO) gebeurt in het kader van het Decreet Bodemsanering en Bodembescherming en is nodig op gronden waar risicovolle inrichtingen aanwezig zijn of waren. Indien deze inrichtingen nog aanwezig zijn gebeurt een OBO op regelmatige basis (periodiek), indien ze niet meer aanwezig zijn is een OBO nodig bij overdracht.

In de plaats van een zgn. 'blanco' bodemattest zal het bodemattest dan vermelden of er informatie over een grond beschikbaar is in het grondinformatieregister en welke de bronnen van informatie zijn.

Opzet van een oriënterend bodemonderzoek

Een oriënterend bodemonderzoek (OBO) zoekt naar aanwijzingen van verontreiniging in de bodem via een beperkt historisch onderzoek en een beperkte monsterneming van bodem en grondwater op het volledige kadastrale perceel. Naar gelang van de resultaten van het OBO, wordt een grond vrijgesproken of opgenomen in het register van verontreinigde gronden. Het OBO bepaalt ook of een beschrijvend bodemonderzoek (BBO) aangewezen is of niet.

Het nodige aantal grond- en grondwaterstalen is afhankelijk van de grootte van het kadastrale perceel en van de aard van de risico-activiteiten en ligt vast in een Standaardprocedure. Boringen, staalnames en analyses gebeuren volgens Codes van Goede Praktijk. Dit geldt ook voor de rapportage. Het onderzoek zelf bestaat uit 4 fasen:

·          Historisch onderzoek: gegevens verzamelen (kadaster, eigenaar en gebruiker van de grond, eventuele milieuvergunningen, ...) en verkenning op terrein. De resultaten van dit vooronderzoek bepalen het verder verloop van de studie.

·          Terreinwerk: plannen en bemonsteren. Op basis van zijn terreinbezoek en de beschikbare informatie wordt een onderzoeksstrategie uitgewerkt. Daarna volgen de nodige boringen, de inrichting van controleputten voor grondwater en staalname van de grond en het grondwater. Naast een 'screening' van het volledige terrein worden ook alle risicoplekken onderzocht; een standaardprocedure bepaalt het nodige aantal boringen en de locatie van controleputten voor grondwater en geeft aan op welke verontreinigende stoffen de aarde en het grondwater moeten geanalyseerd worden.

·          Verwerken van gegevens: analyseren en formuleren van een besluit. Alleen door de OVAM erkende laboratoria mogen de stalen analyseren. De terreinmetingen, resultaten van de labanalyse en van de voorstudie worden verwerkt en de analyses getoetst aan de vastgelegde bodemsaneringsnormen. Alles wordt beschreven, getoetst en vertaald naar een besluit per perceel en per verontreinigingskern. Deze worden geranschikt volgens aard en ernst van de verontreiniging en volgens eventuele noodzaak van een vervolgonderzoek

·          Rapporteren: hard copy en digitaal. Hard copy: twee exemplaren (OVAM en opdrachtgever). Een deel van de gegevens (IBD en GIS) gaan digitaal rechtstreeks naar de OVAM.

De uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek neemt voor een klein terrein gemakkelijk minimum een maand in beslag; bij overdracht van een risicogrond heeft de OVAM maximum twee maanden de tijd om het dossier te beoordelen. Indien uit het onderzoek blijkt dat de bodemverontreiniging mogelijk ernstig is volgt verplicht een beschrijvend bodemonderzoek (BBO).